Klik hier voor een automatische vertaling van onderstaande tekst.
Nieuwe CvdR-studie luidt de alarmklok over gebrek aan betrokkenheid van regio's en steden bij nationale herstelplannen  

Terwijl de staatshoofden en regeringsleiders van de EU in Brussel bijeenkomen om de stand van zaken met betrekking tot het economisch herstel te bespreken, blijkt uit de resultaten van een nieuwe studie in opdracht van het Europees Comité van de Regio’s (CvdR) dat lokale en regionale overheden niet betrokken worden bij het opstellen en uitvoeren van de nationale herstel- en veerkrachtplannen (NPHV’s). De resultaten van deze studie zijn gepresenteerd tijdens de vergadering van de commissie Economisch Beleid (ECON) van het CvdR . De ECON-leden hebben ook hun ernstige bezorgdheid geuit over het feit dat de plannen onvoldoende aandacht besteden aan regionale ongelijkheden en onvoldoende zijn afgestemd op de doelstellingen van het cohesiebeleid, waardoor het risico ontstaat dat middelen elkaar gaan overlappen.

Volgens de studie, waarin acht van de NPHV's die eind mei bij de Europese Commissie waren ingediend worden geanalyseerd, wordt er in de nationale herstelplannen maar heel weinig ruimte gelaten voor democratische input vanuit de regio. De meeste regionale en lokale spelers zijn slechts formeel en eenzijdig geraadpleegd en zullen voornamelijk worden belast met de administratieve uitvoering van het investeringsbeleid. Hun ideeën zijn maar mondjesmaat in de plannen verwerkt. Als steden en regio’s echter meer politieke zeggenschap krijgen over het gebruik van investeringsmiddelen, dan zal er lokaal meer draagvlak ontstaan en wordt de capaciteitsopbouw op lokaal niveau gestimuleerd. Het gebrek aan betrokkenheid van regionale en lokale overheden, die van cruciaal belang zijn voor het doen van investeringen en het leveren van diensten, alsook voor de uitvoering van hervormingen, kan de impact en doeltreffendheid van de NPHV’s ondermijnen.

Michael Murphy (IE/EVP), voorzitter van de commissie ECON van het CvdR en lid van de graafschapsraad van Tipperary: “ De vandaag gepresenteerde studie bevestigt wat al eerder werd geconstateerd, nl. dat er een grote verscheidenheid is aan situaties in de EU, maar dat veel lidstaten het overleg met regionale en lokale actoren niet als een zinvolle gedachtewisseling beschouwen, maar als een vorm van eenrichtingsverkeer – als iets wat ze kunnen afvinken van hun lijstje. De schat aan kennis en ervaring van regio’s en steden komt zelden aan bod in de herstelplannen, wat een gemiste kans is en niet getuigt van goed bestuur. Lokale en regionale overheden zijn van cruciaal belang voor het doen van investeringen en het leveren van openbare diensten, evenals voor het doorvoeren van hervormingen, en wie denkt dat het herstel van de EU best zonder hen kan, heeft het bij het verkeerde eind.

De ECON-leden gaven te kennen dat ze het jammer vinden dat er bij de investeringen die worden voorgesteld in het kader van de NPHV’s geen rekening wordt gehouden met mogelijke synergie tussen de herstel- en veerkrachtfaciliteit (SRF) en de fondsen van het EU-cohesiebeleid. Overlappingen tussen de twee financiële instrumenten kunnen de doeltreffendheid van het cohesiebeleid ondermijnen. Alleen in Italië en België vindt er regionale toewijzing van middelen plaats. In de studie wordt ook geconcludeerd dat de rol die de lokale en regionale overheden in de NPHV’s krijgen toebedeeld bij het bevorderen van de groene en digitale transitie, vaag blijft en niet duidelijk wordt omschreven.

In het licht van de resultaten van de studie drongen de ECON-leden er bij de Europese Commissie op aan om alle NPHV’s grondig te evalueren, om – samen met het Europees Parlement – te pleiten voor een duidelijke omschrijving van de rol van lokale en regionale overheden in de resterende fases van de NPHV’s, om cohesie als fundamentele waarde te handhaven en om de regio’s en steden van de EU te betrekken bij het Europees Semester en bij het toezicht op en de evaluatie van de plannen.

De commissie ECON heeft niet alleen gediscussieerd over het herstelfonds van de EU, maar ook over het ontwerpadvies inzake “ Bescherming van geografische aanduidingen voor industriële en ambachtelijke producten in de Europese Unie ”, waarin wordt opgeroepen tot een geharmoniseerd EU-regelgevingskader voor geografische aanduidingen (GA’s) om de lappendeken van nationale rechtsinstrumenten te vervangen en zo een belangrijk deel van het Europese culturele erfgoed veilig te stellen, de consumentenrechten beter te waarborgen, het inkomen van producenten te verhogen en bij te dragen tot de ontwikkeling van de betrokken regio’s.

Martine Pinville (FR/PSE), lid van de regioraad van Nouvelle-Aquitaine en rapporteur voor het advies: " Het CvdR heeft al lang aangedrongen op een verordening ter bescherming van de geografische aanduidingen voor industriële en ambachtelijke producten. Voor de consument zou een dergelijke verordening een garantie zijn voor de oorsprong, de kwaliteit en de authenticiteit van een product. Voor ambachtslieden en bedrijven zou het een waardering van hun knowhow betekenen, en het zou hen beschermen tegen oneerlijke concurrentie en namaak. En voor de regio’s, ten slotte, zou het gaan om de bescherming van lokaal erfgoed en het behoud van de meerwaarde en van niet-verplaatsbare banen op hun grondgebied.

Over dit advies zal in oktober door het CvdR plenair worden gedebatteerd en gestemd.

Tijdens de vergadering van de commissie ECON hebben de leden ook van gedachten gewisseld over het door Jeannette Baljeu (NL/Renew Europe) opgestelde en gepresenteerde werkdocument “De industriestrategie 2020 actualiseren: naar een sterkere eengemaakte markt voor het herstel van Europa”, en over het door Piero Mauro Zanin (IT/EVP) voor de CIVEX-commissie op te stellen advies over betere regelgeving.

Verder heeft de commissie ECON Rob Jonkman (ECR /NL) aangewezen als rapporteur voor het advies “De implementatie van de faciliteit voor herstel en veerkracht” en aanbevolen om Mark Weinmeister (DE/EVP) aan te wijzen als algemeen rapporteur voor de “Europese digitale identiteit”.

Achtergrond:

De faciliteit voor herstel en veerkracht (RRF) van de EU is een begrotingsinstrument van 672,5 miljard EUR (312,5 miljard EUR aan subsidies en 360 miljard EUR aan leningen) dat bedoeld is om de lidstaten te helpen hervormingen door te voeren en te investeren in de gemeenschappelijke prioriteiten van de EU. De RRF is het grootste financiële werktuig dat is opgenomen in het herstelinstrument Next Generation EU van 750 miljard EUR. Om van de steun van de RRF te kunnen profiteren, moeten de lidstaten nationale herstel- en veerkrachtplannen indienen waarin wordt aangegeven welke hervormingen en investeringen zullen worden gefinancierd. Tot nu toe heeft de Europese Commissie 24 van de 27 nationale plannen ontvangen, waarvan zij er 12 heeft goedgekeurd.

De studie over “regionale en lokale overheden in de nationale herstel- en veerkrachtplannen”, die in opdracht van het CvdR is uitgevoerd, is toegespitst op acht NPHV’s die eind mei 2021 bij de EU waren ingediend (van België, Kroatië, Frankrijk, Duitsland, Italië, Polen, Roemenië en Spanje). De volledige studie is hier te vinden.

Uit de in januari gepresenteerde resultaten van een gezamenlijke raadpleging door het CvdR en de CEMR bleek al dat de regeringen van veel EU-lidstaten regio’s en steden niet betrekken bij het opstellen van herstelplannen voor de periode na COVID-19. De resultaten van deze raadpleging zijn hier te vinden.

Volgens de RRF-verordening (artikel 18, lid 4, punt q) en zoals onlangs nog gememoreerd in een resolutie van het Europees Parlement , die met een grote meerderheid is aangenomen, moeten de herstel- en veerkrachtplannen worden opgesteld en “voor zover beschikbaar” worden uitgevoerd na een “raadplegingsproces, uitgevoerd in overeenstemming met het nationale rechtskader, van lokale en regionale autoriteiten, sociale partners, maatschappelijke organisaties, jongerenorganisaties en andere relevante belanghebbenden”. De lidstaten moeten een samenvatting overleggen van “de wijze waarop de inbreng van de belanghebbenden in het herstel- en veerkrachtplan terugkomt”.

Contact:

Maximilian von Klenze

Tel. +32 2 282 2044

Maximilian.vonKlenze@cor.europa.eu

Matteo Miglietta

Tel. +32 470 895 382

Matteo.Miglietta@cor.europa.eu

Share: